Luther en Antwerpen – de Augustijner monniken

Twee studenten van Luther, Jacob Praepositus (of Jacob Proost) en Hendrik van Zutphen, komen we tegen als prior van het Augustijner-klooster te Antwerpen (locatie: Sint Andrieskerk). Het klooster zelf hoorde tot dezelfde congregatie als dat van Wittenberg, en viel dus onder de jurisdictie van Johann von Staupitz. Zij verkondigden in hun openbare erediensten de boodschap van het Evangelie à la Luthérienne. Dat werd ze in dank afgenomen door de Antwerpse bevolking, maar na 1520 niet meer door de keizerlijke inquisiteur, Frans van der Hulst.

In 1521 barsten de vervolgingen los. Arrestaties, herroepingen, intimidaties waren hun deel. Omdat het niet hielp werd het klooster in oktober 1522 gesloten, echter niet nadat de Antwerpenaars (en met name de vrouwen) nog een ultieme poging gedaan hadden de Augustijnen uit de klauwen van de inquisitie te redden. Het heilig sacrament werd in een plechtige processie, waaraan Margaretha van Oostenrijk zelf participeerde, overgebracht naar de OLV-kerk. De inboedel werd verkocht (de unieke 36-regelige Gutenbergbijbel uit 1461 die het klooster bezat, kwam – veel later – in het bezit van Plantijn. Ze is in het museum aldaar nog altijd te bewonderen).

De meest monniken herriepen, maar drie broeders plooiden niet, hoe zeer men hen ook onder druk zette (incl. ‘good cop-bad cop’ methodes).  Twee van hen stierven op de brandstapel (Brussel, 1 juli 1523. Zie hier voor meer info), Hendrik Vos (of Voes)  en Johan van (den) Essen. Over de derde, Lambert van Thorn (= Limburg), doen allerlei verhalen de ronde, maar onderzoek van Johan Decavele heeft aan het licht gebracht dat hij tot 1528 in de gevangenis in Vilvoorde heeft geleefd, terwijl hij werd verzorgd door de hervormingsgezinde kunstenaars en ambachtslieden rond tapijtontwerper Bernard van Orley en pastoor Niclaes van der Elst.

In elk geval, toen het bericht van de brandstapeldood van zijn Antwerpse confraters Luther ter ore kwam, begon hij – zo getuigt hij zelf – ‘inwendig te wenen’ en zei:

‘Ik meende dat ik de eerste zou zijn die om het heilige Evangelie gedood zou worden, maar ik ben het niet waard geweest!’

picture1
Afbeelding van het verslag dat direct na de feiten verscheen in het Latijn en het Duits

Maar al snel kreeg een ander gevoel de overhand: Dit was een getuigenis van de de echtheid van het Evangelie ! Het toont aan dat we leven in de beslissende tijd, de eindtijd: erop of eronder. Hij kroop in de pen en schreef een troostbrief (“An die Christen ym Nidder land“, hieronder in een vertaling uit 2010 van A. Alderliesten) en een ballade waarin hij hun verhaal vertelt en hun sterven duidt als een eindtijdelijk (eschatologisch) teken.

Hier een link naar de opname van dit lied, zowel in het Duitse (origineel) als in het Nederlands ingezongen, met blokfluit en gamba. Op de Lutherpagina van Dick Wursten vindt u ook een ingekorte versie en kunt u door het oorspronkelijke druk (bevindt zich in Gent) bladeren.

Aan de christenen in de Nederlanden

Alle lieve broeders in Christus, die in Holland, Brabant en Vlaanderen zijn, alle gelovigen in Christus tezamen: genade en vrede van God onze Vader en onze Here Jezus Christus.

Lof en dank zij de Vader van alle barmhartigheid, die ons in deze tijd opnieuw Zijn wonderbaarlijk licht laat schijnen. Tot nu toe is dit vanwege onze zonde verborgen geweest die ons aan de gruwelijke machten van de duisternis heeft onderworpen, smadelijk deed dwalen en de antichrist liet dienen. Maar nu is opnieuw de tijd gekomen dat wij het gekir van de tortelduiven horen en de bloemen opengaan op het veld (Hooglied 2:11 e.v.). Deze vreugde, mijn geliefden, dat u niet alleen deelachtig, maar afgezonderd bent de eersten te worden aan wie wij zulke vreugde en verrukking hebben beleefd. Eigenlijk is het u namens de hele wereld gegeven het Evangelie niet alleen te horen en Christus te kennen, maar in het bijzonder ook de eersten te zijn die om Christus’ wil schande en schade, angst en nood, gevangenschap en gevaar ondervinden. U draagt nu voller vrucht en bent sterker geworden. Dat hebt u ook met uw eigen bloed vergoten en bekrachtigd, omdat de twee kostbare juwelen van Christus (Hendrik Vos en Jan van Essen) te Brussel hun leven gering hebben geacht opdat Christus met Zijn Woord zou worden geprezen. O, hoe verachtelijk zijn die twee zielen terechtgesteld, maar hoe glorieus en in eeuwige vreugde zullen zij met Christus wederkomen en rechtspreken over degenen die hen met onrecht bejegend hebben. Ach, wat is het gering om door de wereld te worden bezoedeld en gedood. Degenen die weten dat hun bloed kostbaar (Ps. 9:13; 72:14) en hun dood dierbaar is in Gods ogen, waarvan de Psalmen zingen (116:15)? Wat is de wereld tegenover God? Wat een genoegen en vreugde hebben de engelen in deze twee zielen gezien! Wat heeft het vuur hen graag geholpen van dit zondige leven naar het eeuwige leven en van deze smaad naar de eeuwige heerlijkheid! God zij geloofd en in eeuwigheid gezegend dat wij het beleefd hebben om oprechte heiligen en waarachtige martelaren te zien en te horen, terwijl wij tot nu toe zoveel valse heiligen verheerlijkt en aanbeden hebben. Wij zijn het tot nog toe niet waard geweest Christus een offer van zo een kostbare waarde te worden, hoewel velen van ons niet zonder vervolging waren en nog steeds zijn. Daarom, mijn allerliefsten, weest getroost en verblijdt u in Christus en laten wij zijn grote tekenen en wonderen danken die Hij onder ons is begonnen te doen. Hij heeft ons een verfrissend nieuw voorbeeld van Zijn leven voor ogen gesteld. Nu is het de tijd dat het Rijk Gods niet in woorden, maar met kracht wordt opgericht (I Kor. 4:20). Dit wordt bedoeld met: ‘verblijdt u in de verdrukking’ (Rom. 12:12). ‘Een korte tijd,’ zegt Jesaja (54:7), ‘heb ik u verlaten, maar met eeuwige barmhartigheid zal ik u bijeenbrengen.’ Psalm 91 (vers 14 e.v.): ‘ik ben (spreekt God) met hem in verdrukking. Ik zal hem redden en verhogen, want hij erkent Mijn naam.’ Nu wij dan de huidige verdrukking zien en sterke, troostvolle beloften hebben, zo laten wij ons hart vernieuwen, vol goede moed zijn en ons met vreugde in de Here laten doden. Hij heeft gezegd, Hij zal niet liegen: ‘ook de haren op uw hoofd zijn alle geteld’ (Matth. 10:30). En hoewel de tegenstander deze heiligen zullen uitmaken voor Hussieten, volgelingen van Wycliffe en Luther, en zij zich op hun moord zullen beroemen, moet ons dat niet verwonderen, maar des te meer versterken want het kruis van Christus moet gelasterd worden. Maar onze Rechter is niet op grote afstand en Hij zal een ander oordeel vellen. Dat weten we zeker. Bidt voor ons, geliefde broeders, en voor elkaar, opdat wij de ander de trouwe hand reiken. Houdt eensgezind vast aan ons hoofd Jezus Christus, Die ons sterke door genade en ons geheel bereide Zijn heilige naam te eren. Hem zij de lofprijzing, lof en dank bij u en alle creaturen in der eeuwigheid. Amen.

Lied
Luthers ontroering over en dankbaarheid voor de geloofskracht van de twee Nederlandse martelaren uitte zich niet alleen in briefvorm. Zoals W.J. Kooiman het uitdrukt, is ‘Luthers dichtvuur aan een brandstapel ontstoken.’ De geschiedenis van Vos en Van Essen leidde tot Luthers eerste lied: Ein neues lied wir heben an. Het is in de eerste Duitse kerkelijke Liedboeken opgenomen. In het Gesangkbuchlein van Johann Walter (1525) staat ook een 4-stemmige zetting van dit lied.

voor de tekst: zie www.dick.wursten.be/antwerpseMartelaren.htm

En hier vindt u de officiële opname die op ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘een Lutherse lente in Antwerpen’ is gemaakt.